Het is geen eenvoudige opgave om iets zinnigs te zeggen over een tentoonstelling waarin taalgebruik zo’n cruciale rol speelt. Het gaat immers over de normatieve werking van taal en over de noodzaak die soms te ontvluchten. Elk woord probeert ideeën te kaderen binnen taalkundige constructies; bedachtzaam schrijven over dit onderwerp is daarom complex. Toch wil ik hier een poging wagen.
Het vertrekpunt van deze tentoonstelling is een langdurig onderzoek van kunstenaar Philipp Gufler naar het werk van Karl Heinrich Ulrichs. Tussen 1864 en 1880 verspreidde Ulrichs twaalf pamfletten waarin hij onder meer de begrippen Urning en Urningin introduceerde als alternatief voor het dominante discours rond sodomie. Dat laatste begrip vertrok vanuit strafbaar gestelde handelingen en niet-productieve seksualiteit, terwijl Urning en Urningin juist uitgingen van verlangen en gerichtheid, van wat we nu veelal homoseksueel of queer zouden noemen. Daarmee werd identiteit losgekoppeld van de destijds strafbaar gestelde handeling: een voor die tijd tamelijk revolutionaire gedachte, die op veel weerstand stuitte. Tegelijk sijpelden veel van Ulrichs ideeën uiteindelijk door in de hedendaagse queer cultuur.
Vanuit Ulrichs’ denken komen meerdere lijnen in deze tentoonstelling samen. Allereerst is er het anders leren denken over taal en het proberen te ontsnappen aan de normativiteit ervan. Ik zeg bewust proberen, want de ironie blijft dat ieder nieuw woord uiteindelijk ook weer zijn eigen norm kan voortbrengen. Toch wordt vanuit dat historische kader nadrukkelijk de fluïditeit van taal onderzocht.
Een tweede aspect betreft uiteraard de identiteit van Urning en Urningin. De afgelopen jaren zagen we geregeld kunst waarin de identiteit van de maker als voornaamste legitimatie van het werk fungeerde. In zulke gevallen dreigt kritiek op het werk al snel gelezen te worden als kritiek op het bestaansrecht van de maker, waardoor de ruimte voor meerduidigheid, inhoudelijke spanning of maatschappelijk gesprek onder druk komt te staan. Gelukkig is dat hier nadrukkelijk niet het geval. Ondanks (of juist dankzij) het onderwerp ontvouwt zich een breed cultureel en historisch geworteld onderzoek met meerdere aanknopingspunten. De getoonde archiefstukken rond Ulrichs’ publicaties, en hun resonanties in de gepresenteerde archiefstukken en kunstwerken, bieden een genuanceerde blik op de omgang met taal, de pijnpunten daarvan in relatie tot (seksuele) identiteit(en), en uiteindelijk ook op troost als tegenwicht.
Deze tentoonstelling is daarmee niet alleen een sterk cultureel en historisch overzicht van wat Ulrichs ooit in beweging zette, maar ook een pleidooi voor de potentie van de woorden die we nog niet gevonden hebben.
(Het lezen van de bijbehorende publicatie met persoonlijke en inhoudelijke duidingen is zeer de moeite waard.)






























Deze tentoonstelling was nog tot en met 12 april te zien bij Nest te Den Haag.
![Nest; Urning and Urningin, Language and Desire since 1864 Het is geen eenvoudige opgave om iets zinnigs te zeggen over een tentoonstelling waarin taalgebruik zo’n cruciale rol speelt. Het gaat immers over de normatieve werking van taal en over […]](https://i0.wp.com/www.lost-painters.nl/wp-content/uploads/2026/04/Nest.jpg?resize=640%2C250&ssl=1)

Laat een reactie achter;