Zoektocht naar enig fundament (inzending J. Koevoets)

Kunst is een vreemd fenomeen, het lijkt zich te manifesteren in een haast ondoordringbaar mistig vacuüm. In dit mistig vacuüm van de kunst, waar overwegend intimi bewegen, hangen velerlei prangende […]

Kunst is een vreemd fenomeen, het lijkt zich te manifesteren in een haast ondoordringbaar mistig vacuüm. In dit mistig vacuüm van de kunst, waar overwegend intimi bewegen, hangen velerlei prangende en principiële vragen. Het aantal antwoorden vormt een onevenredige fractie van het totaal. Het zou daarom aangenaam zijn, en laat ik hierbij vooral voor mezelf spreken, als er in dit mistig vacuüm toch enig fundament aan te treffen zou zijn. Ik wil een zo duidelijk en overtuigend fundament, een handvat, waarmee de vrijblijvendheid en de particuliere aangelegenheid van de beeldende kunst toch een groter belanghebbend doel zou kunnen worden toegedicht. De vraag of kunst nut of zin heeft, of het enige bestaansrecht heeft, doolt al jaren in mijn hoofd. Het wordt geleidelijk aan een prangende kwestie en begint te knagen, een duidelijk onaantastbaar fundament is geroepen.

Bij de vraag of kunst nut of zin heeft, of het überhaupt bestaansrecht heeft, wordt de individuele overgave van de kunstenaar niet in twijfel getrokken. Hij of zij, zo meen ik zelf te ervaren, moet simpelweg het leven van de kunstenaar leiden, hij of zij is zonder twijfel. Ondanks deze individuele argumentatie van de kunstenaar moet er meer zijn dan deze particuliere invulling. Pas bij een grotere zingeving, doel of functie kan (of mag) de kunst bestaan.

Het mistig vacuüm, mijn typering voor het fenomeen kunst, herbergt vele vragen. Je kunt elk kunstzinnig aspect in twijfel trekken. Laat Frans Filosoof en wiskundige René Descartes dit nu ook hebben gedaan om tot een onbetwistbare stelling te komen; hij trok per definitie alles in twijfel en kwam daarna tot de constatering dat je enkel het twijfelen zelf onbetwijfelbaar kunt vaststellen. Zijn uiteindelijke stelling luidde ‘Cogito ergo sum’ (Ik denk, dus ik ben), – de geest bestaat. Er kan een parallel worden getrokken met de vraag of kunst zin heeft, of kunst enige bestaansrecht heeft. Na alle kunstzinnige aspecten in twijfel te hebben getrokken, kun je zeggen dát kunst bestaat. En als het bestaat, het enige wat overblijft na alles in twijfel te hebben getrokken, dan moet de kunst toch in meer of mindere mate een nut of zin hebben. De mate van nut of zin blijft nog steeds, na de ondubbelzinnige en evenzo onbetwijfelbare constatering dát kunst bestaat, in het ongewisse.

Deze constatering kunnen we toetsen aan de hand van de evolutietheorie, in het bijzonder het aspect van de natuurlijke selectie. Nutteloos geworden of energieverspillende eigenschappen die als netto-opbrengst nadelig zijn voor plant of dier worden weg geselecteerd of in hypothetische zin nooit als eigenschap bij plant of dier gevormd. Dit selectiemechanisme is volgens mij ook toepasbaar op allerhande dingen in de wereld. Iets wat geen nut, zin, functie of doel heeft zal op den duur verdwijnen of in hypothetische zin nooit tevoorschijn komen. Met het selectiemechanisme in het achterhoofd wordt de constatering dát kunst bestaat en hiermee zijn bestaansrecht heeft verworven onderstreept. Het fenomeen kunst heeft bestaansrecht anders was het dus reeds verdwenen of zelfs nooit ontstaan.

Dat kunst bestaat impliceert dat het enige nut of zin moet hebben, dat kunst een zogezegd ‘groter’ doel of functie nastreeft of intrinsiek in zich herbergt. Welke deze is en de wegingsfactor die we hieraan mogen verbinden is nog volstrekt onbeantwoord. De constatering dat kunst bestaat en bestaansrecht heeft, en dus blijkbaar enig nut dient ongeacht welke, doet me goed. Het geeft me tenminste één sterk fundament, een wezenlijk fundament waarop doorgebouwd kan worden.

was getekend, Jordy Koevoets.